Home
AlgemeenDe Mastino Napolitano is een waak- en beschermhond bij uitstek. Hij is
groot van stuk, sterk gebouwd en stoer. Hij heeft een rustiek, maar tegelijkertijd
majestueus voorkomen. Hij is fors en moedig, intelligent van uitdrukking,
evenwichtig van aard, gewillig, en niet agressief. Hij is ongeëvenaard
in het verdedigen van zijn baas en diens eigendommen.
Het lichaam geeft een totaalbeeld van een zware, zeer brede, uiterst robuuste
hond, waarvan het lichaam langer is dan de schouderhoogte. Hij is harmonieus
in verhouding tot zijn afmetingen en betrekkelijk evenwichtig ten aanzien
van zijn profiel. De huid is niet vastgehecht aan het onderliggende bindweefsel,
maar los, in het bijzonder aan het hoofd. Daar vertoont de huid rimpels
en plooien. Aan de hals vormt ze een keelhuid.
Hoofd
Het hoofd is brachycefaal (kortschedelig), massief, kort, en tussen de
jukbeenderen is de schedel breed. De totale lengte van het hoofd bedraagt
ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De lengte van de snuit is ongeveer
1/3 van de totale lengte van het hoofd. De schedelbreedte tussen de jukbeenderen
is groter dan de totale lengte van het hoofd. De totale schedelindex bedraagt
66. De lengteassen van schedel en snuit lopen parallel. De huid vertoont
overvloedige plooien.
Typisch voor de Mastino zijn de in flauwe rondingen verlopende plooien
vanuit de ooghoeken naar de mondhoeken. De neus staat op een lijn met
de neusrug. Van opzij gezien moet de neus niet voor de lippen uitsteken.
Van voren gezien loopt er over de neus een loodrechte groef. De neus moet
royaal zijn, met grote, goed geopende, vochtige en brede neusvleugels.
De pigmentatie varieert met de kleur van de vacht: zwart bij zwart behaarde,
donker bij anderskleurige en bruin bij reebruine exemplaren. De neusrug
is recht. De breedte moet ongeveer 20% van de totale lengte van het hoofd
bedragen, en 50% van de lengte van de neusrug. De lippen zijn dik, vlezig,
afhangend en zwaar. De bovenlippen hebben van voren gezien een omgekeerde
V-vorm. Ze zijn afhangend, waardoor de snuit van voren gezien goed is
ontwikkeld. Bovendien leveren de parallel verlopende lippen een, van opzij
gezien, vierkante snuit op. De onderlijn van de snuit wordt, van voren
gezien, door de lippen bepaald. Het dieptepunt ervan wordt echter niet
door de lippen maar door de mondhoeken bepaald, die door duidelijk zichtbare
slijmhuid worden afgetekend. De slijmhuid moet zichtbaar zijn in de spleet
tussen boven- en onderlippen. Van opzij gezien toont de onderste lijn
van de snuit een gebogen lijn, die vanaf de neus doorloopt tot onder de
stop.
De kaken zijn krachtig en goed ontwikkeld, met goed op elkaar passende
tanden. De zijden van de bijzonder krachtige onderkaken neigen vooral
aan de achterzijde tot een kromming. Het voorste deel van de onderkaak
moet zeer goed ontwikkeld zijn en nooit gebogen, waardoor de lippen worden
gesteund en geleid. De stop wordt gevormd door het punt waar voorhoofdsbeen
en neusrug samenvallen. De stop moet, vanaf de neusrug gemeten, een hoek
van 90° vormen. Tussen voorhoofd en neuspunt moet de hoek 120- 130°
bedragen. De lengte van de schedel moet ongeveer 2/3 van de totale hoofdlengte
zijn. De breedte (dat is de afstand tussen de juk- beenderen) moet ongeveer
gelijk zijn aan de lengte. De jukbeenderen zijn zeer goed zichtbaar en
lopen ver naar buiten door, waardoor goede aanhechtingspunten ontstaan
voor kaken en kauwspieren. Van de voorkant gezien lijkt de schedel rond.
Van opzij wordt deze vorm ook benaderd, behalve op het gedeelte tussen
de oren, waar de schedel vlak is. De schedelgroef en achterhoofdsknobbel
zijn duidelijk waarneembaar
Gebit
De tanden passen goed op elkaar. Een schaar- of tanggebit. De snijtanden
van de bovenkaak moeten met hun achterzijde de voorzijde van de snijtanden
in de onderkaak raken, of beide komen direct met de kauwvlakken op elkaar.
De tanden zijn wit, regelmatig en wat hun ontwikkeling betreft volledig
en voltallig.
Oren
Zijn in verhouding tot de schedel klein, driehoekig en ver boven de jukbeenderen
geplaatst. Liggen plat tegen de wangen. Ze mogen niet verder reiken dan
tot het midden van de kaak. Het oor staat bij de aanzet rechtop en hangt
dan plotseling naar voren.
Ogen
Het ooglid moet goed tegen het oog liggen, dus geen ectropion of entropion.
Het geopende oog is min of meer rond van vorm maar de slappe en in overvloed
aanwezige hoofdhuid erboven maken de ogen kleiner waardoor ze ovaal van
vorm lijken. De ogen liggen diep. De kleur is afhankelijk van de beharing
zwart, grijs of bruin, maar meestal donkerder.
Lichaam
De hals is kort, gedrongen en buitengewoon gespierd. De lengte van de
hals (gemeten in de nek vanaf de achterhoofdslijn tot aan de schoft) is
ongeveer 3/10 van de schouderhoogte. De omvang van de hals in het midden
gemeten, bedraagt ongeveer 8/10 van de schouderhoogte. Ongeveer 1/3 deel
vanaf.het hoofd is de hals lichtelijk gekromd. Het onderste gedeelte heeft
veel losse huid, waardoor een keelhuid wordt gevormd die niet overvloedig
mag zijn en duidelijk verdeeld is over links en rechts.
De keelhuid begint aan de onderkaak, en reikt tot ongeveer hét
midden van de hals. De schouders moeten lang, enigszins schuin en goed
van elkaar gescheiden zijn. Ze hebben lange, sterk ontwikkelde spieren,
teneinde een goede beweging te waarborgen. De lengte is ongeveer 3/10
van de schouderhoogte. De kromming naar horizontaal is 50-60°. Als
men de romp van boven beziet staan de uiteinden van de schouderbladen
iets naar elkaar toe. Als men het rugoppervlak in aanmerking neemt, lijken
ze echter verticaal te staan. De lengte van het lichaam (gemeten van de
top van het schoudergewricht of de punt van het borstbeen tot aan het
zitbeen) moet ongeveer 10% langer zijn dan de schouderhoogte.
De borst moet breed zijn, en uitzonderlijk goed ontwikkelde borstspieren
hebben. De breedte van de borst, die door de borstkas wordt gevormd, dient
aan het onderste begrenzingpunt (tussen de ellebogen) ongeveer 40-45%
van de schouderhoogte te zijn. De punt van het borstbeen moet zich op
dezelfde hoogte bevinden als het schoudergewricht. De borstkas is breed
en reikt tot de ellebogen of iets daaronder, met een goede ronding op
de halve hoogte. De doorsnede verkleint zich enigszins om het borstbeen,
zonder echter een soort kielvorm te krijgen. De ribben zijn lang, goed
gebogen, schuin en ver doorlopend met brede tussenruimten. De laatste
zwevende ribben zijn lang, schuin en goed geopend. De omvang van de borstkas
moet ongeveer 1/4 meer bedragen dan de schouderhoogte. Voor de ronding
gemeten is de omvang circa 10 cm kleiner. De doorsnede blijft echter altijd
nog 32%. De borstdiepte bedraagt ongeveer 50-55% van de schouderhoogte.
De thoraxindex mag niet groter zijn dan 8, eerder iets minder. De onderzijde
van de borstkas toont van opzij gezien een uitgerekte halve cirkel, die
bij de buik licht oploopt en dan verder rechtlijnig verloopt. De rug toont
van opzij gezien een rechte lijn, die slechts door de schoft wordt onderbroken.
De rug is breed. De lengte is 32% van de schouderhoogte. Tussen de lendenen
en de rug dient er een overgang te zijn die van opzij gezien met een lichte
ronding moet verlopen.
Goed ontwikkelde spieren over de gehele breedte. De lengte moet ongeveer
1/5 zijn van de schouderhoogte. De breedte moet ongeveer gelijk zijn aan
de lengte, en tussen 14,5-16 cm liggen. De buik verloopt als een voortzetting
van de borstkas aan de onderzijde bijna horizontaal. De flanken moeten
in de langs richting overeenkomen met de lendenen. De buik is groot. De
flanken zijn iets opgetrokken. Het kruis, dat de enigszins rond overlopende
lijn van de lendenen voortzet, moet breed, sterk en gespierd zijn. Het
dwars verloop tussen de beide zijden der lendenen moet ongeveer 1,5/10
van de schouderhoogte zijn. Het kruis dient duidelijk gevormd te zijn
om aan de onderzijde van de lendenen aan te sluiten. De lengte van het
kruis moet ongeveer 3/10 van de schouderhoogte bedragen. De kromming moet
met ongeveer 30% afnemen als men de horizontale lijn in aanmerking neemt
die de voorkant van het bakken met het zitbeen verbindt.
Schouderhoogte: reuen 65-75 cm, teven 60-68 cm. Gewicht: reuen 50-70 kg,
teven ongeveer 15% minder.
Benen
Voorhand: de bovenarm is met ongeveer 2/3 van het bovengedeelte van de
romp verbonden. Hij moet, evenals de schouders, voorzien zijn van sterke,
droge en goed ontwikkelde spieren. De hoek die wordt gevormd door het
bovenarmbeen met het horizontale vlak, bedraagt ongeveer 55-60°. De
lengte van de bovenarm is ongeveer 30% van de schouderhoogte en loopt
vrijwel parallel aan de middellijn van de romp. De onderarmen staan verticaal.
Ze hebben uitzonderlijk sterk bot. De lengte is bijna gelijk aan die van
de bovenarmen. De onderlangse plooi die wordt gevormd door de ellepijp
en het spaakbeen, dient duidelijk zichtbaar te zijn. De lengte van de
onderarm tot aan de elleboog bedraagt ongeveer 5,2/10 van de schouderhoogte.
De met veel losse huid bedekte ellebogen lopen parallel aan de middellijn
van het lichaam en moeten niet te dicht tegen de borstkas aanliggen omdat
dit de aftekening van de okselholte verhindert. Ze mogen echter ook niet
naar buiten uitgedraaid zijn. De punt van de elleboog moet zich op de
loodlijn bevinden die vanaf de achterste punt van het schouderblad kan
worden getrokken. De pols moet in het verlengde van de onderarm liggen.
Hij moet breed, droog en glad zijn, zonder zichtbaar bot, behalve aan
de achterzijde waar het sesambeen uitsteekt. De middenvoeten moeten enigszins
naar achteren hellen, maar van voren gezien dienen zij de verticale lijn
van de onderarm te volgen.
Van opzij gezien bedraagt de hoek van de naar achter hellende middenvoet
ongeveer 70-75°. De lengte mag niet meer bedragen dan 1/6 van de totale
lengte van de onderarm tot aan de elleboog. Achterhand: de dij is lang
en breed, met zware, duidelijk zichtbare spieren. De achterkant neigt
er toe recht te zijn. De lengte mag niet minder dan 1/3 van de schouderhoogte
bedragen. De buiging is ongeveer 60°, en vormt met de heup van achteren
naar voren bijna een rechte hoek. De verticale lijnen in aanmerking genomen
dient de achterhand parallel aan het lichaam te verlopen. Het onderbeen
bestaat uit zwaar bot en sterke spieren. De lengte ervan is iets korter
dan die van het bovenbeen. De hoek bedraagt van voor naar achter ongeveer
50-55°. De hoek die wordt gevormd door het kniegewricht, bedraagt
ongeveer 110-115°. De plooi die wordt gevormd tussen scheenbeen en
kuitbeen, moet duidelijk zichtbaar zijn. De zijden van de sprong kunnen
nauwelijks te breed zijn. Door de stand van het onderbeen wordt van voren
een stompe hoek gevormd.
De afstand van de voetkussens tot aan de sprong bedraagt ongeveer 2,6/10
van de schouderhoogte. Van achteren bezien moeten de achterwaartse lijnen
van het spronggewricht en de achterkant van de dij in één
vlak liggen. De voorste hoek (dat wil zeggen de hoek die wordt gevormd
door het onderbeen en de middenvoet) bedraagt 140-145°. De middenvoet
moet krachtig en bijna rond van vorm zijn. De lengte moet ongeveer 1/4
van de schouderhoogte bedragen. Zowel van achteren als van opzij gezien
moet de middenvoet loodrecht zijn. Eventueel aanwezige hubertusklauwen
(enkele als dubbele) moeten worden verwijderd.
Voeten
De voorvoeten zijn ovaal, zeer groot, goed gesloten en gewelfd. De kussens
zijn droog, hard en goed gepigmenteerd. Sterk gebogen nagels. De achtervoeten
zijn gelijk aan de voorvoeten, maar niet zo groot.
Staart
Aan de wortel krachtig, en naar de punt iets toelopend. Als de hond in
rust is, wordt de staart voor 2/3 hangend en voor het 1/3 iets naar boven
gebogen gedragen. De staart wordt nooit rechtop of over de rug gekruld
gedragen. Als de hond in actie is, wordt de staart horizontaal of iets
boven de ruglijn gedragen. De lengte van de staart is gelijk aan of iets
langer dan het spronggewricht. De staart is op ongeveer 1/3 van de lengte
gecoupeerd.
Vacht
Over het gehele lichaam veel losse huid, vooral op het hoofd, waar veel
losse plooien worden gevormd, en aan de keel, waar zich een wam vormt.
Het haar moet dicht, van gelijke lengte, glad, fijn, kort en niet langer
dan 1,5 cm zijn. Er mag op geen enkel deel van het lichaam, ook niet op
de benen of op de staart, een spoor van lang haar zijn, hoe klein ook.
De vacht moet glanzen.
Kleur
De toegestane vachtkleuren zijn zwart, grijs, blauwgrijs, bruin, reebruin
en vosrood. Alle kleuren mogen gestroomd zijn. Kleine witte aftekeningen
op de borst en op de punten van de tenen zijn toegestaan. De pigmentatie
van de opperhuid moet donker zijn, afhankelijk van de donkerste kleur
van de vacht. De kleur van de nagels en die van de voetzolen moeten altijd
donker zijn.
N.B.: de geslachtsorganen dienen volmaakt en voltallig aanwezig te zijn,
en een gelijke ontwikkeling van de testikels te hebben.
Bijzonderheden
Gangen: een typisch kenmerk van dit ras is het gangwerk; het is slungelachtig
en langzaam, als bij een beer; de draf is langzaam en met grote, veel
bodem bedekkende stappen; de galop komt zelden voor.
Algemene fouten: gebrek aan type en afwijkende formaten, namelijk hoger
dan de maximumhoogte en meer dan 3 cm onder de minimumhoogte; scheelzien;
monorchisme of kryptorchisme.
Fouten van het hoofd: ernstig naar voren of naar achteren aflopende schedel;
duidelijk bol of hol voorhoofd, of een voorhoofd dat duidelijk te lang
is en uit balans met de rest van het hoofd.
Fouten van de staart: afwezigheid van de gehele staart; staartloos geboren;
met te korte staart geboren; een knik.
Fouten in de vacht: witte vacht of een vacht met uitgebreide witte vlekken
op de ledematen (hoger dan de sprong, bij het achterbeen) of het hoofd;
kleine witte vlekjes op borst en buik zijn toegestaan; een totaal ongepigmenteerde
neus; totaal ongepigmenteerde oogleden; een glasoog.
Gebit: bovenvoorbijten of ondervoorbijten met een onderbeet van
meer dan 8 mm; afwezigheid van meer dan zes gebitselementen, het ontbreken
van meer dan twee snijtanden, één hoektand of twee kiezen.
Karakter
Fouten van het karakter: zeer agressieve individuen
of zeer angstige individuen.
|